Rijden in tunnels

Nederland telt tientallen tunnels voor het wegverkeer. Rijden in een tunnel brengt specifieke risico's met zich mee. Het is belangrijk dat je weet hoe je je moet gedragen in een tunnel en wat je moet doen bij een calamiteit.
Regels voor het rijden in een tunnel
Verlichting
Verlichting bij het rijden
Bij het naderen van een tunnel moet je je dimlicht inschakelen. Dit is verplicht, ook als de tunnel goed verlicht is. Het dimlicht zorgt ervoor dat je beter zichtbaar bent voor andere weggebruikers.
Let op: Gebruik in een tunnel nooit je grootlicht. Dit verblindt tegenliggers en het licht kaatst terug van de tunnelwanden.
Voorbeeld: Je nadert een tunnel op een zonnige dag. De tunnel ziet er goed verlicht uit. Toch moet je je dimlicht aanzetten. Waarom? Ten eerste is het verplicht. Ten tweede zijn je ogen gewend aan het felle zonlicht — in de tunnel zie je tijdelijk minder goed. Met dimlicht ben je in ieder geval zichtbaar voor anderen.
Voorbeeld: Je verlaat een tunnel en komt in fel zonlicht. Je ogen moeten wennen en je ziet even minder. Dit heet het "zwart-gateffect". Houd extra afstand van je voorganger als je een tunnel verlaat bij helder weer.
Snelheid en afstand
- Houd je aan de aangegeven maximumsnelheid in de tunnel
- Houd voldoende volgafstand (minimaal 2 seconden, liefst meer)
- Rij niet langzamer dan noodzakelijk
- Inhalen is in de meeste tunnels verboden (doorgetrokken strepen)
Voorbeeld: Je rijdt in een tunnel en de auto voor je remt plotseling. Door de beperkte ruimte in een tunnel kun je niet uitwijken naar links of rechts. Daarom is voldoende volgafstand in een tunnel nog belangrijker dan op de open weg. Houd minimaal 2 seconden afstand — tel "eenentwintig, tweeëntwintig" na het passeren van een vast punt door je voorganger.
Verboden in een tunnel
In een tunnel is het verboden om:
- Te keren of achteruit te rijden
- Te stoppen (tenzij noodgeval of file)
- Gevaarlijke stoffen te vervoeren (afhankelijk van de tunnel)
- Met een lekke band door te rijden
- In te halen (in de meeste tunnels)
Voorbereiding voor de tunnel
Voordat je een tunnel inrijdt:
- Zet je radio aan op een regionale zender (je ontvangt verkeersinformatie via het tunnelsysteem)
- Zet je dimlicht aan
- Doe je zonnebril af
- Sluit je ramen (bij brand verspreidt rook zich door geopende ramen)
- Houd voldoende afstand tot je voorganger
Pech in een tunnel
Krijg je pech in een tunnel, dan moet je het volgende doen:
- Probeer de tunnel zo mogelijk nog uit te rijden
- Lukt dat niet? Zet je voertuig zo ver mogelijk rechts aan de kant
- Zet je alarmlichten aan
- Zet de motor uit
- Laat de sleutel in het contact zitten (zodat hulpdiensten je auto kunnen verplaatsen)
- Laat het voertuig niet op slot achter
- Ga naar de dichtstbijzijnde SOS-telefoon of vluchthaven
- Bel 112 of gebruik de intercom in de vluchthaven
Voorbeeld: Je auto maakt een raar geluid in de tunnel en verliest snelheid. De uitgang is nog 200 meter verderop. Wat doe je? Probeer de tunnel uit te rijden — 200 meter kun je vaak nog halen, zelfs met weinig vermogen. Een panne buiten de tunnel is veel minder gevaarlijk en makkelijker op te lossen dan in de tunnel.
Voorbeeld: Je auto valt volledig stil midden in de tunnel. Je zet de auto rechts aan de kant, alarmlichten aan, motor uit. Maar uit gewoonte neem je je sleutels mee en sluit je de auto af. Fout! Laat de sleutel in het contact en het voertuig open. Hulpdiensten moeten je auto snel kunnen verplaatsen als dat nodig is, bijvoorbeeld bij brand.
Belangrijk: Laat je voertuig niet op slot achter. Hulpdiensten moeten het voertuig snel kunnen verplaatsen als dat nodig is.
Lees de volledige les
- Alle 32 theorie-lessen
- Realistische oefenexamens
- Slimme flashcards
- Voortgang bijhouden
Al een account? Inloggen